Punakha

 
Zondag 24 februari 2013

Prima ontbijt om 7 uur en op naar de Pelela Pass op 3420 m en de drie bji’s : Rukubji, Chenddebji, de derde ben ik vergeten, met velden (meesten nog niet ingezaaid) van aardappelen, mosterdzaad en graan, wit en rood bloeiende rododendrons en yaks. Ook passeren we de streek waar de beste zangers van Bhutan vandaan komen hetgeen te danken is aan het heilige water van Tsheringmo, god van mooie stemmen...De chorten van Chendebji met zijn Nepalese stoepa naar het voorbeeld van Swayambhunath uit de 19e eeuw en de chorten in Bhutanese stijl als lange witte muur staan uitdagend naast de rivier.

Bij Nobding nemen we de afslag naar de Phobjekha vallei in de hoop daar toch nog een paar zwartnek kraanvogels te spotten die in de eerste helft van maart allemaal naar Tibet zijn gevlogen omdat het hier te warm wordt.
Normaal zijn er hier 300 maar nu treffen we er 9 op afstand in de vallei tussen de koeien en een zwerm in de lucht, ze zijn erg schuw maar ook erg bijzonder...
Onderweg twee groepen yaks, die niet echt een druk leven lijken te hebben, bij een paar tenten waar een vrouw haar tent induikt om haar handelswaar te halen. De heren kopen er twee kettingen met gedroogde yak-kaas (wil je het proberen? Nee dank je...is werkelijk keihard en je moet er oeverloos op kauwen).
Overal in Bhutan zie je pam’s, tijdelijke nederzettingen, hutjes waar de mensen tijdelijk verblijven voor het zaaien en poten cq oogsten van hun seizoens gebonden producten.

Onderweg een kleine stoet met voorop een pick-up waar een vierkante kist in kleurige doeken staat. Deze overledene (met hoofd tussen de knieën vastgebonden om in de vierkante kist te passen) wordt naar de crematieplaats gebracht door zijn of haar familie. De palen met witte gebedsvlaggen staan voor de overledenen. Ze worden opgericht door de familie met een witte gebedsvlag met 1 zich herhalend mantra die verspreid wordt door de wind. Als deze is vergaan worden de resten verzameld door de familie en verbrand zodat men er in ieder geval niet over kan lopen als ze op de grond vallen want dat geeft slechte karma. Om mani pad mey hung wijst de weg naar de hemel en helpt je er naar toe.

We rijden door de regio van Sephu, gebied van de magical mushroom (cordycep) die gezien wordt als absolute delicatesse en volgezogen met ara veel kracht geeft. Per familie mogen 3 gezinsleden in juli en augustus deze paddenstoelen zoeken, die zich ondergronds verraadt door 1 trillend blaadje boven de grond. De paddenstoelen worden gedroogd en afhankelijk van de kwaliteit verkocht voor 10 tot 25 dollar per stuk! Chinezen zijn er gek op... Niet vreemd dat deze arme lokale bevolking het financieel een stuk prettiger heeft tegenwoordig. Hun vroegere inkomsten van bamboe-producten worden nog steeds in ere gehouden. Alleen waar vroeger het bamboe met hamers werd platgeslagen voor verbruik worden ze nu gehalveerd op de weg gelegd zodat de auto’s, bussen en vrachtwagens ze platrijden...

Terug naar de highway waar we het klooster van Gangtey overslaan aangezien het gerestaureerd wordt en lunch in een lokaal restaurant in Nobding. Hobbel, hobbel door naar Wangdue waar het oude dorp vervangen is door Bajo Town, een naargeestig geheel van rijen gebouwen en een voor ons niet Bhutanees aandoende sfeer.

Nima wordt ook nog eens beledigd door tegen hem te roepen dat hij slaaf is van toeristen en we zijn blij dat onze wandeling hier heel kort is! Mensen kijken chagrijnig en lijken op deze zondag alleen maar gehaast hun boodschappen te doen. Maar snel door naar Punakha 16 km verderop om in te checken in Damchen Resort (weggestopt in een hoekkamer die later gewijzigd wordt in een zeer ruime kamer ook met zicht op de rivier). Meteen weer naar buiten want het lijkt erop dat er regen op komst is en afzakken naar de dzong, een van de mooiste en belangrijkste van het land die ligt bij de samenvloeiing van twee rivieren, de Pochu (mannelijke) en de Mochu (vrouwelijke) rivier.
De dzong heeft de bijnaam Palace of Great Happiness en dat kan je je wel voorstellen bij deze werkelijk prachtige dzong (de mooiste die hij gezien heeft zegt Bram). Vroeger diende het ook als winterverblijf van de koninklijke familie en nu is het tevens de winterresidentie van het religieus centrum van Thimpu en dan kan het aantal monniken oplopen tot 800-900! Vanwege het gisteren afgelopen festival is de geestelijk leider nog aanwezig. Gebouwd in 1637 en deels gerestaureerd door en ter ere van de kroning van de eerste koning van Bhutan in 1907. Er zijn 3 tempels en er is een dienst gaande in de grootste en werkelijk overdonderende gebedshal.
Met al het houtsnijwerk, met koper omspannen en bewerkte pilaren, de gigantische beelden van Boeddha, Guru Rinpoche en Shabdrung, de 71 stoepa’s/beelden van overleden religieuze leiders die hun as bevatten, de muurschilderingen over Bhoedda’s leven, de overweldigende plafonds met op de achtergrond de biddende monniken is er niet te vergeten ervaring! Nima vindt dan ook dat hij absoluut een foto van ons samen moet maken voor deze dzong...echt ons ding!
Ganesh begint een nieuwe carrière als hotel-in-biersmokkelaar en we zijn net bij het hotel als het steeds harder begint te regenen om ons te installeren in ons zitje achter de hoge ramen met uitzicht op de rivier... ’s Avonds eten met 20 Chinezen in de kil verlichte zaal en het buffet is, op de soep na, koud. We delen een biertje en deinzen terug als ze er 260 voor vragen (lokale prijs is 55 tot 70...) en zeggen morgen wel te betalen (gaan we dus even anders doen).

Leermomentje van vandaag: vroeger aten de Bhutanezen mensenvlees maar de tantric master vond dit eigenlijk niet kunnen en verzon het volgende... Als je een betelnootblad neemt (vertegenwoordigt het menselijk vlees), je besprenkelt dat met limoensap (de hersenen) en legt daarop een betelnoot (de menselijke botten) en dat geheel kauwt dan kan je na deze hemelse ervaring het rode sap uitspugen (het bloed)...Hij had er blijkbaar geen probleem mee dat je mond er ongezond rood van uit gaat zien en dat het onaangenaam ruikt...